Blankenbergse straten naar schrijvers genoemd. Ze inspireren in coronatijden tot het lezen van een gedicht, een prozatekst. Acht straten dragen een schrijversnaam. Vandaag nog twee ervan: HUGO VERRIEST, LODE ZIELENS

In 1959 werd deze straat Hugo Verrieststraat genoemd, in 1976 Hugo Verriestlaan, een beetje voornamere benaming!

Meer dan honderd straten, lanen en pleinen werden in Vlaanderen en Nederland naar Verriest (1840-1922) genoemd. In Ingooigem, waar hij stierf en 25 jaar pastoor was geweest, is er een Pastoor Verrieststraat. In Roeselare waar hij leerling en leraar is geweest aan het Klein Seminarie is er een Hugo Verrieststraat. In Brugge, waar hij leraar in het Sint-Lodewijkscollge is geweest is er ook zo’n straat. En in Jabbeke woonde ik van 1944 tot 1969 in de Hugo Verrieststraat nr. 9.   

Aan Verriest denken is aan Gezelle en Rodenbach denken. De eerste was zijn leraar in het Klein Seminarie in Roeselare, de tweede zijn leerling daar. (Geschiedenislerares Magali Hawkins, die in de Hugo Verriestlaan heeft gewoond, begon haar lerarenloopbaan in datzelfde Klein Seminarie)

Verriest was priester, dichter, prozaschrijver, zeer gewaardeerd redenaar.

Een cultuurflamingant was hij, met veel vrienden in Nederland.  Anders dan Gezelle was hij niet zo’n taalparticularist. Hij streed voor het Nederlands in het onderwijs in Vlaanderen, maar dan voor een algemener Nederlands dan Gezelle. “In mijn zin bestaan er geen twee talen. Er bestaan slechts leemten die van weerszijden moeten aangevuld worden, tot versterking en verrijking van de ééne Nederlandsche taal”

Hij was ook opener van geest  en kende belangrijke vrienden onder de  vrijzinnigen. Hij werkte mee aan VAN NU EN STRAKS. Hij wilde op hogere leeftijd een literair portret schetsen van  o.a. Karel van de Woestijne, , Cyriel Buysse, August Vermeylen, Herman Teirlinck die in 1922 de grafrede uitspreekt voor Verriest …

Tot slot de beginregels uit zijn gedicht AVONDSTILTE

t Wordt laat, en ’t zwijgen zinkt met stille avond neder,
En stille, de avond dringt me in ’t eindloos diepe hert,
En ’t eindloos herte, moe van ’t wentlen weg en weder,
Staakt ’t wentelen en rust in stille zoete smert.
O smert, geen zoetheid kan aan ’t rustend zoet genieten,
Het zoet genieten van uw ijdele eindloosheid,
Uwe ijdele eindloosheid die ’t dromen vol kan gieten,
Het stille dromen van des avonds enigheid.

Lode Zielens werd geboren in het Antwerpse Sint-Andrieskwartier, de zogenaamde ,,Parochie van Miserie”. De kleine Lode was ziekelijk, maar zijn bestaan was niet lichtloos. Zijn vader, een diamantbewerker, had een passie voor muziek en literatuur, hij zong Schubert-liederen voor Lode en wees hem het huisje waar Conscience geboren werd. Voor het dromerige jongetje was dat aanmoediging genoeg: ook hij zou schrijver worden. Ook al was er geen geld voor onderwijs en moest hij een paswerkersopleiding en allerlei ongeschikte baantjes doorspartelen.

 Daarna werd hij winkelbediende en havenarbeider. Toen hij redacteur en journalist kon worden bij de socialistische Volksgazet vond hij zijn weg. Hij publiceerde realistische sociale romans en behoort daardoor tot de vernieuwers van de Vlaamse literatuur. Zijn beroemdste en in 1933 met de Driejaarlijkse Staatsprijs voor verhalend proza bekroonde roman is Moeder, waarom leven wij?. Zielens kwam in 1944 kort na de bevrijding om het leven door een Duitse V2-bom bij een bombardement op Antwerpen.

In 1993 draaide Guido Henderickx  “Moeder, waarom leven wij?”,  een VTM-televisiebewerking werd massaal bekeken.

In 2005 schreef De Standaard-journaliste Alexandra Devos:. Wie heeft werkelijk Moeder, waarom leven wij gelezen? Die weet dat de gelijknamige tv-serie pittoreske ersatz is, en met Zielens geen uitstaans heeft. De rauwe werkelijkheid van miseriemensen is nu eenmaal niet commercieel, en Zielens schreef naar het leven.

uit MOEDER, WAAROM LEVEN WIJ

Netje is het hoofdpersonage, haar man Louis heeft een relatie met haar schoonzus. Netje is zwanger…

Wie is deze, in rustige slaap verzonken man? Och, hij heeft haar genoten, nu slaapt hij. Als hij ontwaakt is hij vervuld met andere gedachten dan aan haar. Het is niet pijnlijk, het is wat het altijd was. Dat is het egoïsme van de man…

Ze gaat naar haar moeder…

“Moeder, ik kom bij je terug”…”Het is om het kind, moeder. Hij heeft geen recht op dit kind. Daarom dacht ik …Ik ga niet meer terug. Ik blijf bij jou.”

Moeder springt op: “Nee, dat niet.”…Je bent getrouwd, je moet maar uitkijken wat je doet. Je vader was een dronkaard. Heb ik hem daarom verlaten?…

Haar starre ogen staren in een wereld, die niet de onze is. De wereld, waarin ijskristallen fonkelen en schitteren, waar er ijsbloemen ranken langs de wegen en waar het duister blauw  is…

Ze doet een poging om zichzelf te verdrinken, wordt gered…

Weer treurig in dit ellendig bed. Dit bestaan nu opnieuw moeten beginnen! Weer de last van duizend moeilijkheden torsen, weer die duizend nederlagen, die glansloze armoede! Zij wenst dit leven niet…en toch moet ze leven,,, Tenzij: het kind…Een stuk ellendig vlees is zij, tussen leven en dood.

Z