Zomerse dagen lijken nu in vele Europese gebieden erg op elkaar. In Germaanse talen is de taalverwantschap voor ZOMER zeer groot. In Romaans sprekende liggen twee Latijnse woorden aan de basis. Op de foto: In de zomer 2017 fietsende Maerlant-personeelsleden

Voor ‘zomer’ bestaat al heel lang die benaming die we in de Germaanse talen  terugvinden in allerlei variaties, o.a. 

Nederlands: zomer

Engels: summer

Fries: simmer

Duits: Sommer

Zweeds: sommar

Noors : sommer

Deens sommer

In gebieden die tot ’t Romeinse rijk behoord hebben, komen vormen van twee verschillende woorden voor ‘zomer’ voor. Uit het Latijnseaestas ontstonden het Franseété en het Italiaanseestate. Uit veranum ontstond verano  in ’t Spaans en  verão in ’t Portugees en vain het Roemeens