JOHAN NOWE, EM. HOOGLERAAR DUITSE LITERATUUR, BLANKENBERGSE STADSGIDS, ANALYSEERT IN DE NIEUWSBRIEF NOV. 2019 VAN DE STADSGIDSEN GENUANCEERD HUGO VERRIESTS TEKST “IK HEBBE TWEE DAGEN IN BLANKENBERGHE GEWEEST” : SCHOONHEID BELEEFT HIJ IN HET NATUURLIJKE VAN DE ZEE, LELIJKHEID IN HET TOERISTISCHE VREEMDE VOLK. OUD-LLN. MAERLANT-ATH. WONEN IN DE HUGO VERRIESTLAAN

Enkele fragmenten uit OP WANDEL BLANKENBERGHE

K hebbe twee dagen to Blankenberghe geweest en menigen keer over den dijk gewandeld. En weet gij wat mij geheel lien tijd op de lippen kwam, wat mij nu nog over de tonge welt als ik mij yolk en zee uit zonnige dagen herinnere ? Ik zeg het juist in drie woorden. De zee            0 schoone Zee I Dat yolk :           Leelijk yolk Neenl

O Schoone Zee! Het is nog heel vroeg in den uchtend, en ik ga langs den dijk naar de kerk. Green mensch op de steenen; geen levende ziel bij de zee; de huizen nog als verlaten. 0 zoete zee 0 schoone zee I Van uit den noorden komt al draven over de zee de frissche morgendkoelte, de morgendwind

En pier, rechts voor mij, de schoone zee, de groote zee, de oneindige zee. Geen mensch, nievers. De zee, in hare eenzaamheid, in hare grootschheid, ligt en spreidt onmeetbaar onder onmeetbaren h^emelboog Groen, blauw, witgekroond, de zee. Blauw daarboven, groen ginder verre; boven den zeeberg, de tintelende hemel. Hij staat op aarde en zee gesteund, en roert niet; maar tintelt in den zonnebrand, onbeweeglijk. Zonne! Eindeloosheid, eenzaamheid, onroerbaar.

Ik ga ontnuchteren, en ete eene mondsvolle en leze wat, en ga wederom wandelen langs de zee. Volk! Volk hierboven, en vol.k dat Binder plonst in de baren. Leelijk 1 Wat schendt mij dat de schoone vlakte van de zee, pijnlijk. De groene baren, de witgetopte baren, de bruine tinten, de geluwe strepen vol schemeringen, zijn geschonden. Vlekken I vuile vlekkenl 

Leelijk yolk; bijna al vreemd yolk; misgroeid, met slepend been, botten voet, hooge schouders; ofwel mat en af, geluw en grauw, eerdkleur, mismaakt gelaat, diepe oogen in zwarten kring, wateroogen, en, zelfs in gerucht en gewoel, moede en verdroten. En dat mannenvolk daar, vol beslag, dat peist entwat te zijn als het gekleed gaat naar de laatste badsteemode; witgeluwe jas en lijf en vest, en broek altijd opgesloofd omdat het te Londen regent; een witte klak met zwarten onderboord.

 Johan Nowe werd geboren te Menen in 1940, hij studeerde Germaanse filologie en filosofie aan de Katholieke Universiteit Leuven, waar hij in 1976 promoveerde tot doctor in de Letteren en Wijsbegeerte met een proefschrift over de Duitse auteur Hans Henny Jahnn. – Van 1988 tot 2002 was hj hoogleraar aan de KULeuven met als leeropdrachten Duitse literatuur en Lerarenopleiding Duits. Onderzoeksgebied waren vooral de Duitse literatuur van de Middeleeuwen en specifiek het middeleeuwse theater en Didactiek van het Duits als Vreemde Taal. – Oktober 2002: emeritus hoogleraar KULeuven – Sinds 1997 tot en met 2015: jaarlijks docent van cursussen voor Davidsfonds Academie: over Duitse literatuur, Theater in de Middeleeuwen en “Vikingen en Runen” 

J. Nowé analyseert Verriests artikel en concludeert dat de dichter vol bewondering is voor alle natuurlijke schoonheid en er geen kan opbrengen voor het lelijke, vreemde, toeristische volk, zoals hij dat in de nochtans chique Belle Epoque in Blankenberge waarneemt.

 

In 1959 werd de straat Hugo Verrieststraat genoemd, in 1976 Hugo Verriestlaan, een beetje voornamere benaming!

Meer dan honderd straten, lanen en pleinen werden in Vlaanderen en Nederland naar Verriest (1840-1922) genoemd. In Ingooigem, waar hij stierf en 25 jaar pastoor was geweest, is er een Pastoor Verrieststraat. In Roeselare waar hij leerling en leraar is geweest aan het Klein Seminarie is er een Hugo Verrieststraat. In Brugge, waar hij leraar in het Sint-Lodewijkscollege is geweest is er ook zo’n straat. En in Jabbeke woonde ik van 1944 tot 1969 in de Hugo Verrieststraat nr. 9.   

Aan Verriest denken is aan Gezelle en Rodenbach denken. De eerste was zijn leraar in het Klein Seminarie in Roeselare, de tweede zijn leerling daar. (Geschiedenislerares Magali Hawkins, die in de Hugo Verriestlaan heeft gewoond, begon haar lerarenloopbaan in datzelfde Klein Seminarie)

Verriest was priester, dichter, prozaschrijver, zeer gewaardeerd redenaar.

Een cultuurflamingant was hij, met veel vrienden in Nederland.  Anders dan Gezelle was hij niet zo’n taalparticularist. Hij streed voor het Nederlands in het onderwijs in Vlaanderen, maar dan voor een algemener Nederlands dan Gezelle. “In mijn zin bestaan er geen twee talen. Er bestaan slechts leemten die van weerszijden moeten aangevuld worden, tot versterking en verrijking van de ééne Nederlandsche taal”

Hij was ook opener van geest  en kende belangrijke vrienden onder de  vrijzinnigen. Hij werkte mee aan VAN NU EN STRAKS. Hij wilde op hogere leeftijd een literair portret schetsen van  o.a. Karel van de Woestijne, , Cyriel Buysse, August Vermeylen, Herman Teirlinck die in 1922 de grafrede uitspreekt voor Verriest …

Nogal wat oud-leerlingen wonen/woonden in de Hugo Verriestlaan.

Yara Verley (2019)

r. Colette Van Huele (1974)

Reactie's