Erwin Mortier : Wazig is zijn betoog allesbehalve, ook niet in het boek waarin hij nagaat wat tal van leiders in de Europese hoofdsteden van de belle époque dachten en deden, en hoe uit hun interacties een wereldbrand oplaaide die velen zagen aankomen, maar niet konden, of wilden, vermijden. Slaapwandelaars, noemt Clark hen. Niet letterlijk, maar ze liepen wel met open ogen de afgrond in. Clarks relaas leest als een roman en zet klassieke opvattingen over de aanloop naar het conflict op losse schroeven. Was Duitsland de absolute boosdoener, bijvoorbeeld, en was de Duitse keizer echt de bloeddorstige psychopaat, die ook mij in mijn kinderjaren werd afgeschilderd?
‘Op de lagere school in Sydney kregen wij van hem hetzelfde beeld voorgeschoteld als jij’, zegt Clark. ‘We hebben niet de Belgische achtergrond, maar Australië heeft wel meegevochten tegen de Duitsers. Ons collectieve verhaal luidt ongeveer zo: een angstwekkende, geweldzuchtige mogendheid was uit de leiband gebroken en Australië snelde Groot-Brittannië te hulp om Europa weer veilig, vreedzaam en democratisch te maken. Duitsland en de Kaiser kregen daarin alle schuld. Maar het waren wel de Russen die in de zomer van 1914 als eersten mobiliseerden, ook hun Baltische vloot, wat Berlijn onmogelijk kon negeren. De Kaiser was, zacht gezegd, geen aangename vent. Maar als er werkelijk een conflict dreigde, trok hij steevast aan de noodrem. De legerleiders noemden hem zelfs smalend “een vredeskeizer”. Na de moorden in Sarajevo hebben ze hem letterlijk zijn boot op geduwd, voor zijn jaarlijkse zomerreis naar Scandinavië. Hij werd op ijs gezet.’
Kaiser of geen Kaiser, lieverdjes waren de Duitsers niet bepaald. Wij kregen hen op bezoek. Beleefd hun voeten vegen voor ze binnenkwamen, hebben ze niet echt gedaan.
‘Ik wil de vraag naar de aanleiding voor de oorlog losmaken van de vraag wat de Duitsers deden zodra hij een feit was. Ze schonden toen meteen de Belgische neutraliteit, dat was onderdeel van hun krijgsplan. België kreeg nog de kans om er onderuit te komen, met een ultimatum, in mijn ogen een grove inschattingsfout. Ze waren beter gewoon binnengevallen, “sorry, sorry” roepend. “We zullen alles opruimen, hier heb je centen voor de schade. We blijven niet hangen, we zijn gewoon op weg naar Frankrijk…” Dan had België mogelijk het conflict kunnen beperken.’
Waarom heeft Duitsland dat dan niet gedaan?
‘Omdat het, net als alle Europese mogendheden, zich niet in de positie van zijn tegenstanders kon stellen. De kladtekst van het ultimatum zegt: “Als jullie ons doorlaten, krijg je van ons een grote hap Frans grondgebied cadeau.” Gelukkig wierp iemand daar nog een blik op en zei: “Denk je niet dat dit de Britten heel erg nerveus gaat maken?” De zin werd op het laatste nippertje geschrapt. Incompetentie is dus een deel van het antwoord. Duitsland geloofde ook dat België redelijk zou zijn, maar Berlijn besefte niet wie op het ultimatum zou moeten antwoorden. Jullie koning, de premier en de buitenlandminister. Patriotten van de oude snit. Welk staatshoofd zou een dergelijk aanbod wél aanvaard hebben?’
‘Eenmaal in België ontketende het Duitse leger een golf van vernieling en slachtpartijen. De Duitse militaire cultuur bleek fundamenteel verwrongen, totaal immuun voor moderne liberale normen en waarden. Oorlog blijft verschrikkelijk, maar je kunt oorlogen wel meer of minder gruwelijk uitvechten. Duitsland koos voor een verschrikkelijke manier. Daarin zijn ze ongetwijfeld daders geweest. Maar als we nagaan hoe de oorlog is uitgebroken, zien we een Europa waarin verscheidene grootmachten een uitslaande brand wilden riskeren om hun eigen belangen na te streven.’
U plaatst daarom pittige kanttekeningen bij de mythe van ‘brave little Belgium’ dat Groot-Brittannië niet aan zijn lot kon overlaten.
‘België was het beste propagandageschenk dat de Duitsers aan de Britten konden geven. “Brave little Belgium” was op zich geen leugen, het land onderging enorme verschrikkingen. Edward Grey, de Britse buitenlandminister, had niet veel moeite om de publieke opinie in te palmen met de vraag of “wij” zomaar konden toekijken terwijl een klein land overrompeld werd. Natuurlijk luidde het antwoord nee. Maar de beslissing was al gevallen. Churchill had de Britse vloot al gemobiliseerd. Men wilde oorlog met Duitsland.‘
Uw boek besteedt overvloedige aandacht aan wat zulke figuren dachten en deden. Veel historici vatten de geschiedenis in patronen, alsof personen er niet toe doen.
‘Veel historici hebben briljante analyses gemaakt van de oorlog, maar na een tijdje begin je wel het repetitieve van bepaalde aannames op te merken, met de allesoverheersende vraag naar het waarom voorop. Wanneer je oorzaken opstapelt; nationalisme, imperialisme, Duits expansionisme, enzovoort, zit je op den duur met zoveel oorzaken dat de oorlog wel moest uitbreken, als een vulkaan die uitbarst omdat de druk onhoudbaar wordt. Dat is een optische illusie. Oorlogen zijn politieke gebeurtenissen, ze zijn het gevolg van keuzes. Mij interesseerde wie de keuzes maakten en waarom.’
En we ontmoeten intelligente, vaak zelfs zeer verfijnde mensen…
‘Mensen die zeer goed konden uitleggen wat ze deden en hun daden eloquent rechtvaardigden. Ze bezigden zeer verfijnde verhaaltechnieken waarmee ze uitlegden waarom ze deden wat ze moesten doen. Ik wilde een boek schrijven dat hun stemmen liet horen.’
En dat daardoor zeer literair aandoet.
‘Een van de zaken die ik uit romans heb geleerd – ik ben trouwens een fervent romanlezer – is wat je de polyfonie zou kunnen noemen. Romans zijn meerstemmig en daardoor ook niet eenduidig…’
Ik denk dat literatuur altijd de ambiguïteit van onze gedachten, stemmingen of motieven wil blootleggen.
‘Exact. De onbetrouwbare, ook niet voor zichzelf transparante verteller. Daar was ik zeer in geïnteresseerd voor mijn onderzoek.’
Waarmee u alle spelers in het drama hun complexiteit en daarmee hun individualiteit teruggeeft.
‘En hun dilemma’s als handelende wezens. Politici voelden het enorme gewicht van de beslissingen die ze moesten nemen blijkbaar zo hevig dat ze de nadruk legden op de onvermijdelijkheid van hun keuzes, want dat nam die last van hun schouders. De Russische buitenlandminister schrijft bijvoorbeeld in 1913 naar zijn gezant in Belgrado: “Zeg aan de Serviërs dat hun beloofde land binnen het Oostenrijks Rijk ligt. De Geschiedenis heeft besloten dat het Habsburgse imperium ten dode is opgeschreven.” Wilde die man tussen Servië en Oostenrijk een conflict uitlokken, of boog hij voor een onvermijdelijk historisch proces? Ik denk dat hij een conflict wilde uitlokken, zonder zijn aandeel erin te moeten erkennen.’
Het is verleidelijk de vraag te stellen hoe Oostenrijk-Hongarije zou zijn geëvolueerd als Franz Ferdinand niet was vermoord.
‘We weten vrij goed wat er zou zijn gebeurd. Was Franz Ferdinand levend naar Wenen teruggekeerd, dan had hij de krijgszuchtige opperbevelhebber van het leger ontslagen. Franz Ferdinand loste conflicten liefst vreedzaam op. Een paar jaar later was hij wellicht keizer geworden. Hij wilde een heringericht, federaal Oostenrijk-Hongarije, met een machtig Wenen, maar ook districten met eigen beleidsdomeinen. Daarmee wil ik aantonen dat de vooroorlogse periode even zwanger was van mogelijke toekomsten als vandaag. Was de Balkan een vredige regio geweest, en Servië een even stabiele staat als Zwitserland, dan had de aanslag in Sarajevo nooit zulke zware gevolgen gehad. Een omgeving moet al met een zekere spanning zijn beladen, zoals Sarajevo in de zomer van 1914. Maar die spanningen hadden ook weer kunnen wegebben. Europa had in 1914 de pech dat genoeg ontwikkelingen op elkaar ingrepen en dat niemand op zoek ging naar alternatieven. De Oostenrijkers zeiden: “Kijk, we kunnen die provocaties door Servië niet blijven tolereren. We moeten hen een lesje leren, een politieke oplossing is niet mogelijk”. Kan zijn, maar de volgende vraag luidt dan: “Als je eenmaal in Servië bent, wat dan? Hoe ga je om met een brandhaard die zal blijven opflakkeren?”’
Een vraag die we ons voor de inval in Irak ook had kunnen stellen, of in Afghanistan…
‘We handelen allemaal met een zeer onvolkomen besef van de gevolgen van onze daden. In die zin zal “slaapwandelen” nog een hele tijd een eigenschap zijn van complexe machtssystemen. Onze kennis blijft brokkelig en structuren om problemen lang op voorhand te identificeren en ze in te schatten bestaan niet. Ongetwijfeld wil je nu weten of we daarmee ook gedoemd zijn om in grote oorlogen terecht te komen.’
Niet echt. Een grote oorlog lijkt me in Europa in de voorzienbare toekomst niet meteen denkbaar, laat staan wenselijk.
‘Het is vrij deprimerend om geregeld boeken te zien verschijnen die dat nochtans net wel beweren. De Amerikaanse historicus Ian Morris vraagt zich bijvoorbeeld af of oorlog nuttig is. Hij besluit dat oorlog in feite heel erg goed is voor ons. Oorlog voeren is niet prettig, want je kunt erin sneuvelen, en dat is triest, maar het resultaat is wel een betere wereld. Een bizar argument, dat felle kritiek oogst…’
Honderd jaar geleden waren er intellectuelen die gelijkaardige dingen zeiden. Oorlog als een reiniging van staten en samenlevingen…
‘Een vorm van sociale hygiëne, inderdaad. En nu zie je figuren die opnieuw bloed als wasmiddel aanprijzen. Je krijgt er volgens hen sterkere, stabielere en veiliger staten door. Absurd. Los daarvan meen ik dat we in Europa in een redelijk paradoxale situatie verkeren. Ongetwijfeld is Europa nog nooit zo pacifistisch geweest als vandaag. Tegelijk blijken we vrij tolerant voor marginale oorlogen die stilaan onderdeel zijn geworden van ons dagelijkse leven. We kijken allang niet meer op van huizen of bruggenhoofden die opgaan in de rookpufjes van een zogenaamd chirurgisch bombardement. Zou dit niet de oorlog van de toekomst zijn?’
Goede vraag, maar na het lezen van uw boek stelde ik me nog een andere: kunnen we uit de geschiedenis eigenlijk wel iets leren, als het allemaal van zoveel ongrijpbare evoluties afhangt en van zo vele wankelmoedige mensen?
‘Dat is een vraag die bij uitstek ons, moderne mensen, kwelt. Wij denken dat de geschiedenis over verandering gaat. De Romeinen, daarentegen, zagen haar veel meer als iets cyclisch. De grote denkers van de renaissance meenden dat de teksten van Seneca en anderen een goede handleiding boden voor de politiek van hun tijd. Wij denken dat niet langer. Waar moeten wij onze gidsen vinden? We zijn blind voor de toekomst, dus moeten we wel naar het verleden kijken, en we willen parallellen trekken. We zitten in de frustrerende situatie dat we van de geschiedenis lessen verlangen, terwijl ze ons slechts orakels kan geven. Ze zegt dingen als: “Weet je, heel lang geleden hebben sommige mensen wel heel erg bizarre dingen uitgehaald.” En als wij dan vragen: “Oké, en wat is daarvan de relevantie voor de situatie in Oekraïne?”, antwoordt ze droogjes: “Het spijt me, het consult is afgelopen. Tijd voor mijn volgende patiënt.’’’






