KERSTBOOM, dennenboom, oh Tannenbaum, mon beau sapin: eerst heidens gebruik, later ook christelijk. De kerstboom, ook in de woonruimte van ONS-gezinnen.

Zowel bij de Germanen als de Romeinen was de kerstboom, de dennenboom een symbool van vruchtbaarheid en goddelijkheid. Hij bleef altijd groen. Hij kondigde de lente aan.

In de late Middeleeuwen namen de christenen het gebruik over, vooral in Duitsland, maar ook in Letland.

In de 17de eeuw zette men in Duitsland de kerstboom in huis. Ze hingen er appeltjes in (de appel van Adam en Eva!) In de 19de eeuw verspreidde het gebruik zich over heel Europa en ook in Amerika. Het Vaticaan verzette zich tegen die heidense kerstboom. Pas in 1982 stond er een in het Vaticaan. Eind 19de eeuw waren er ook al kunstmatige kerstbomen.

In de 13de eeuw zette men ook al een kerststal. Nu steeds minder.

Het Duitse kerstliedje O TANNENBAUM heeft een geschiedenis die tot in de 16de eeuw reikt. De melodie was zo aantrekkelijk dat tal van teksten erbij ontstonden, ook in andere talen.

O Tannenbaum, o Tannenbaum,
wie treu sind deine Blätter!

O denneboom, o denneboom,

Wat zijn uw takken wonderschoon

Ik heb u laatst in ’t bos zien staan,

Toen zaten er geen kaarsjes aan.

O denneboom, o denneboom,

Wat zijn uw takken wonderschoon.

Mon beau sapin, roi des forêts
Que j’aime ta verdure