
In de roman HET METEN VAN DE WERELD (2005) laat de Duitse schrijver twee wetenschappers Alexander von Humboldt en Carl Friedrich Gauss elkaar ontmoeten. Beiden waren erop uit de wereld te ‘meten’, de eerste door echt wetenschappelijk praktisch op tal va plekken in de wereld te onderzoeken, de tweede door van thuis uit te rekenen.
Alexander von Humboldt onderzocht “de wereld in haar diepste samenhang”, zoals zijn vriend Goethe het formuleerde in Faust. De Berlijner wierp zich op als een van de eerste plantengeografen en was een grondlegger van de fysische geografie. Plantkunde, geologie, aardmagnetisme, vulkanisme, meteorologie, fysiologie, etnologie, archeologie en nog meer takken van de wetenschappen liet hij samenvloeien. Hij was een ecologist avant la lettre, hij ijverde voor meer veiligheid in de mijnen en bekritiseerde de slavernij. Hij was zowat de laatste wetenschapper die specialisatie wist te combineren met universeel onderzoek. Onze overgespecialiseerde maatschappij schuift opnieuw de verbinding tussen alle disciplines naar voren. “Interactie” is het hedendaagse toverwoord. “Alles is wisselwerking”, schreef Humboldt in zijn Mexicaanse dagboek. Dat alles maakt deze nazaat van de achttiende-eeuwse Verlichting meer dan ooit actueel.







