
In zijn column DE THUISWACHTER in De Standaard filosofeert Marc Reynebeau over de begrippen STERK en ZWAK i.v.m. werkwoorden, ook over REGELMATIGE en ONREGELMATIGE. Hij besluit met “waarmee uw thuiswachter in de grammaticale terminologie een fundamentele vergissing blootlegt.”
Het onderscheid in ‘zwakke’ en ‘sterke’ werkwoorden werd in 1819 gemaakt in de DEUTSCHE GRAMMATIK van Jacob Grimm. Hij vond dat de oudste werkwoorden die zonder uitgang in zichzelf konden veranderen om een preteritum en een participium perfectum te vormen STERK waren. Eten, at, gegeten – slapen, sliep, geslapen – helpen, hielp geholpen – bevelen, beval, bevolen. Die andere werkwoorden lijken jonger te zijn en hebben hulp nodig: een ‘te(n)’- uitgang, in het Nederlands soms een ‘’de(n) om die andere werkwoordtijden te vormen.

Overigens de taalgeleerde JACOB GRIMM, is tevens, samen met zijn broer WILHELM, de verzamelaar van sprookjes. Märchen (= kleine berichtjes, verhaaltjes) in het Duits.



