In de buurt van de Brugse stadsschouwburg staat de WITTE SAAIHALLE. Het is een 14de-eeuws gebouw, waar ooit de Genuezen hun vertegenwoordiging in Brugge hadden.
Later was het de verblijfplaats van wolwevers, saaiwevers uit Hondschote (in Frans-Vlaanderen). SAAI is lichte, gekeperde wollen stof. (Ik heb wel eens gehoord dat die gemaakt werd van wol van dode schapen)
Zeker is dat het Vlaamse dialectwoord ‘sjette’ een variant is van ‘saai’.
Zeker is ook dat die wol er zo eentonig uitzag dat die het adjectief ‘saai’ deed ontstaan.
Op wandel door Brugge zagen leerlingen van d’Oefenschool de Saaihalle met in een timpaan een voorstelling van Joris (de heilige Joris) met de draak, die hij gedood zou hebben om een koningsdochter te redden, die de draak had opgeëist. Als beloning voor die daad, lieten duizenden heidens mensen zich dopen.



