L’ Athénée Maerlant (Blankenberge) souhaite la bienvenue au Lycée Jean-Paul de Rocca Serra à Porto Vecchio (Corse). 19/03, voormiddag. De abituriënten van beide scholen bezoeken samen Duitse Soldatenbegraafplaats Vladslo, Dodengang Diksmuide, kerk Lampernisse (met Corsicaanse sporen?)….met 30 foto’s nu

morgen veel meer foto’s

Het eerste luik van de uitstap naar de Westhoek: bezoek aan de Duitse soldatenbegraafplaats in Vladslo. Jaak Coudeville, oud-leraar Nederlands/Duits in het Maerl.-Ath. gaf er een beetje uitleg over de begraafplaats, die een tuin van de eeuwigheid is, over de 25.644 jongens die er in graven van twintig zijn begraven, over Peter Kollwitz vooral die in de buurt op 18-jarige leeftijd doodgeschoten werd. Over Karl Kollwitz, zijn vader, dokter voor de armen in Berlijn had hij het en natuurlijk ook over Käthe Kollwitz, Peters moeder, een grote kunstenares, die eerst niet zo gekant was tegen de vrijwillige indiensttreding van haar zoon, die voor het vaderland wou strijden, maar later hevige tegenstandster van oorlogsgeweld werd en die het indrukwekkende beeldenpaar TREUREND OUDERPAAR maakte, dat achttien jaar na Peters dood tot stand kwam.

Een oud-leerling (1947) van de Blankenbergse Rijksnormaalschool, RAF SEYS, schreef een boekje over de kunstenares en het beeld: KÃTHE KOLLWITZ IN VLAANDEREN..

Geschiedenislerares Magali Hawkins plaatste het bezoek aan de Dodengang in Diksmuide in een breder oorlogsperspectief:

De leerlingen hoorden van haar  dat de naam DODENGANG niet slaat op het feit dat soldaten die de loopgraven verlieten, over dode medestrijders moesten lopen, maar op het feit dat er enkele soldaten begraven waren toen men de constructie er ging bouwen Ze zagen de MUIZENVAL,waar Duitse loopgraven en Belgische ontzettend dicht bij elkaar waren gelegen, allebei aan een kant van de Ijzer.

Ze hoorden ook dat deze DODENGANG een reconstructie is, dat de zandzakjes van toen nu met cement gevulde zakken zijn. Misschien kennen ze nu ook het Franse, Engelse en Duitse woord voor DODENGANG.

Over ratten en modder en dood in de loopgraven, over de confrontatie daar  tussen Duitse en Belgische soldaten bij de Ijzer, over bloemmolens en petroleumtanks.

Voor de kerk van Lampernisse gaf leraar Steffen Cloet uitleg. Beide geschiedenisleerkrachten, Magali Hawkins en Steffen Cloet hadden gezocht of er in de Westhoek ook sporen van Cosicaanse slachtoffers waren. Vermoedelijk waren er in Lampernisse.

In de avond van 1 december 1914 kende Lampernisse een drama, dat doorheen de nevelen van de tijd omzeggens in de vergeethoek geraakt is. Niets herinnert nog aan wat toen gebeurde in het kerkgebouw: een Duitse obus sloeg in en 43 Franse Alpijnse Jagers van het 23° BCA, 2 Belgische soldaten en 2 burgers lieten het leven. Velen werden gewond. Sommigen stierven nog dagen nadien ten gevolge van hun verwondingen in verschillende veldhospitalen. Haastig werden de slachtoffers van het eerste uur begraven in een massagraf voor de kerkingang. Een gemeenschappelijk naambord en enkele Alpenbaretten en bloemenkransen herinnerden in de eerste nadagen aan dit drama.