TAALFILOSOFIETJE: WAT GESCHIEDDE IN DE VOORBIJE ZESTIG JAREN TOCH MET HET GENUS VAN ‘LIBIDO’?

GENUS is het grammaticale geslacht van substantieven.

Ik was verrast, toen ik vanmiddag in de nieuwste HUMO  “Leve HET libido”  las.

LIBIDO was volgens mijn taalgevoel een ‘DE’-woord, maar of het nu mannelijk of vrouwelijk is, had ik niet kunnen zeggen. Maar onzijdig! Neen, toch!

Een beetje onderzoek op het internet en in woordenboeken leert dat er zeker een evolutie is, waarbij LIBIDO onzijdig aan het worden is.

Op tal van internetsites lees ik “een laag libido”. LAAG blijft onverbogen zoals in “een laag huis”.  LAGE past bij “een lage woning” (WONING is vrouwelijk een  DE-woord dus)

Mijn VAN DALES HANDWOODENBOEK DER NEDERLANDSE TAAL van 1956 schrijft dat LIBIDO vrouwelijk is; mijn Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal van 1976 zegt dat het mannelijk is, de uitgave van 2005 schrijft dat het een de-woord is (m), soms ook onzijdig; de editie van 2015 , de vijftiende, de jongste, hetzelfde.

In het Latijn is LIBIDO vrouwelijk en de genitief is libidinis, waarvan het Nederlandse adjectief libidineus afkomstig is.

LIBIDO = geslachtsdrift (de psychische energie ervan). In het Latijn betekent het (volgens mijn woordenboek uit 1954) lust, begeerte, zinnelijke begeerte, wellust (ook nog willekeur)