
Jaak Coudeville las in een groep uit 1A Maerlant-ath.– de latinisten – vijf gedichten voor met een ander onderwerp, gedichten uit verschillende tijdperken. Hij begon met een praatje over de Roemeense schrijfster Mira Feticu die Nederlands leerde en in het Nederlands het boek LIEFDESVERKLARING AAN DE NEDERLANDSE TAAL schreef. Hij had het ook over de 24 miljoen mensen die Nederlands als moedertaal hebben (in Nederland, Vlaanderen, Brussel, Suriname, Nederlandse Antillen). Hij legde uit dat het Nederlands, net als het Engels, Duits, Deens, Noors, Fins, Fries, Zuid-Afrikaans een Germaanse taal is.
En dan las hij voor:
HEBBAN OLLA VOGALA
MOEDERKEN (G. Gezelle)
EEN LIED DER BLIJDSCHAP (B. Decorte)
ODE AAN MILAN (L. Coudeville)
DE ROKER IS STEEDS BLIJGEZIND ( Jozef Haeghebaert). Deze dichter was in 1925 aan de Rijksnormaalschool Blankenberge, in de Van Maerlantstraat, daar waar de leerlingen nu les hebben, onderwijzer is geworden en later directeur van de Oefenschool.

En dan luisterden en keken de leerlingen naar Lisette Ma Neza, die ODE AAN DE TAAL voordroeg.
De meeste van de 11 leerlingen vonden die ODE het mooist, enkele kozen voor DE ROKER IS STEEDS BLIJGEZIND







