
Ik was vanochtend al om half negen in d’Oefenschool, waar ik Sinterklaas met twee Pieten op weg van de Vredelaan naar het kleuterpaleis zag stappen, waar ook vele ouders nog even bij hun kleuter(s) konden blijven.












Sinterklaas begaf zich dan naar de gymzaal, waar de leerlingen van het derde t.e.m. het 6de leerjaar hem verblijdden met sinterklaasliedjes en met dansjes. Secretariaatsmedewerkster Barbara Vandenberghe maakte ook voor Maerlantkrant enkele foto’s.
In Myra (nu Turkije) zou bisschop Nicolaas drie door een hebzuchtige slager en diens vrouw gedode kinderen uit de dood weer hebben doen opstaan…
Dit is maar een van de verhalen rond de goede heilige.
Sinterklaas is van o.a. schippers, vissers, gevangenen, advocaten, deurwaarders, graanhandelaars, wijnhandelaars, schilders, apothekers, bakkers, kinderen, prostituees en kooplieden de beschermheilige
Oh ja…Sinterklaas is ook de patroon van de BAKKERS:
De goudklompen die bisschop Nicolaas van Myra door het raam had geworpen waren bedoeld voor drie arme dochters van een verarmde edelman, opdat hun ellende bespaard zou worden. De drie afgebeelde gouden ballen werden later voor broden aangezien.
Ik vroeg me af of die kleuters, de kleuterleidster en de directrice nog het woordje SINT-NIKLAAI gebruiken. Dit is een dialectvorm die zeker in West-Vlaanderen voorkomt.
Ik stuurde een mail naar prof. emeritus Magda Devos en vroeg om uitleg.
Ze antwoordde:
Waarschijnlijk komt “kloaj” uit het Waals, als de dialectvorm van Frans “Nicolas”. Dat zou je althans denken als je de verspreiding ziet en de familienaam Nicolay
En
Inderdaad, als ik West-Vlaams spreek, zeg ik ook ‘sint-nikloai”, en dat zeggen ook alle andere West-Vlamingen die het traditionele dialect nog kennen. Afgekort is dat “klaai”, zoals in de uitdrukking “Jan, Pier en Klaai”, die zoveel betekent als ‘om het even wie’, ‘iedereen’, ‘God en klein Pierke’. Als soortnaam is klaai een schimpwoord voor een onnozel mens. In die betekenis kan het worden versterkt tot “taartenklaai” : “Ai, gij klaai, gij taarteklaai !”. Zo was het vroeger blijkbaar een benaming voor een soort koek die men op Sint-Niklaasdag aan de kinderen gaf, voor de vogel die in het Nederlands en andere dialecten “gaai” wordt genoemd en tenslotte voor een drinkfles in een rieten of wissen mandje. Ziehier wat De Bo schrijft:
klaai, m. Eigennaam verkort van Niklaai, Niklaas, fr. Nicolas.
– Koekeman, koekepeerd, of zoo iets anders dat men op Sint Niklaasdag aan de kinderen geeft. Eenen schoonen klaai ontvangen. Iemand eenen klaai geven. De bakker verkoopt klaaien.
– Onnoozel dwaas mensch, fr. colas. Het is zoo een klaai. Een arme klaai. o Gij klaai van klijte!
– Eene drinkflesch in mandewerk gevlochten, fr. bouteille clissée. Een klaai vol brandewijn. Hij heeft altijd eenen klaai in zijnen zak. Uit eenen klaai drinken. – In dezen zin dikwijls ook klaaitje, klaaike(n. De naam van een vogel, ook Kooien en Weiten genaamd, fr. geai.
Geen wonder dus dat de familienaam afgeleid van “Klaas” in het West-Vlaams “Claeys” luidt.
