
Een wandelingetje maken van de Rodenbachstraat (de straat tegenover de ingang van het ziekenhuis …een eindje Vredelaan langs het Maerlant-atheneum en dan linksaf de Karel Deswertlaan in even kijken naar nekele mooie villa’s aan de linkerstraatzijde, tot in de De Smet de Nayerlaan, naar rechts voorbij het station en dan het eerste straatje naar links. Dit is de R. Brulezstraat. Jammer toch dat deze toch belangrijke schrijver het met zo’n straatje moet doen…
Albrecht Rodenbach (1856-1880) Hij stierf toen hij nog geen 24 was. Hij is verwant met leden van de bierbrouwersfamilie Rodenbach en ook met de Franstalige Georges Rodenbach, tijdgenoot en schrijver van Bruges la Morte.

Rodenbach was in het Roeselaarse Klein Seminrie leerling van Hugo Verriest, die zelf leerling was van Guido Gezelle. Hij studeerde aan de universiteit van Leuven. Hij was sterk doordrongen van Vlaamse fierheid en van het herlevingsgevoel in de 19d eeuw. Hij zette met zijn gedichten en zijn toespraken de jonge harten van zijn generatiegenoten in gloed. Hij stichtte de Vlaamse studentenbeweging Blauwvoeterie.Misschien wijzigde zijn wat conservatief-katholieke Vlaamse houding tot liberaal-katholiek.

Ik moet er niet van weten…
Ik moet er niet van weten, van die zuidse
vrouwenzielen,
die, voelend het noodlottig leed hun longeren vernielen,
te midden het ontbladeren van de bomen kneuteren gaan
dat ‘t jammer is van hen en van hun lief en van de blaân.
Zijt gij het die ik rochelen voel hier rond mijn hert, vernieling?
Zijt gij het? God verplette u, worm die mijner jeugd bezieling
Verknagen moet! Het lijf wierp u mijn eigen roekloosheid,
doch, zier om zier, bestrijde ik u de Geest, Noodlottigheid!
Gij die vandaag de hemel kuist van vuiler dampen rotheid,
O licht, o warmte, o levenslust, bedanke u, vurige godheid!
– Mijn zonnig land… mijn verten… mijn jong leven… Kameraad,
Nicht raisonniren… Weer u scherp, en eind als een soldaat!…
In het gedicht dat volgt bedoelt Rodenbach met de ‘zuidse vrouwenzielen’ de sentimentele romantische dichters uit Frankrijk. Hij wil niet zo teerhartig zijn…

Raymond Brulez, in 1895 in Blankenberge geboren, werd in de eerste helft van de 20ste eeuw een belangrijk, met prijzen en waardering geëerd, Vlaams romancier en verhalenschrijver. Zijn roman HET HUIS TE BORGEN, speelt in Blankenberge (=Borgen).
Het Huis te Borgen is een boek over de tijd van voor en in de Eerste Wereldoorlog, over de fin de siècle-atmosfeer in Blankenberge. Het verhaalt over de kinder- en jeugdjaren van de schrijver met het strandhotel van zijn vader en vooral moeder als kernpunt. Het boek begint met de opmerking dat iedere gelijkenis met nog levende en overleden personen “geen toevallige (is), maar een door de schrijver opzettelijke gewilde”.

In Raymond Brulez’ roman HET HUIS TE BORGEN (Borgen = Blankenberge) lezen we “in Juli 1913 wees Heloïse (juwelierster) mij een forsigen meneer, die voorbijwandelde, als zijnde Aartshertig Franz Ferdinand van Oostenrijk. Her is zo’n braaf mens. Hij zou zijn tijd kunnen verslijten met op de roulette te spelen of zich met cocottes te amuseren. Maar neen! ’s Ochtends vroeg wandelt hij eenzaam naar Wenduine en ’s namiddags zit hij in de kerk te luisteren naar Robaert die hem op het orgel Bach en César Franck voorspeelt. Hij heeft in mijn winkel een diamanten dasspeld gekocht die hij aan den organist cadeau zal doen bij zijn afreis. Zo’n voortreffelijk mens – (vermoedelijk bedoelde ze tevens : zo’n goede klant!) – zal een groot keizer worden en lang leven. Ge zult het zien. Dat staat in de sterren geschreven!…”