Gezellemuseum in Brugge wordt niet langer als museum gebruikt. Schoot men tekort om meer bezoekers aan te trekken? Maerlant-ath.lln. waren er vaak, daar in de Rolweg, in zijn geboortehuis.

In de krant lezen we: het stadsbestuur vindt het niet meer verantwoord om het geboortehuis van de dichter nog langer als museum open te houden. Maar de band tussen het huis en de dichter blijft bestaan. Cultuurschepen Nico Blontrock (CD&V): “We zullen er blijven aan herinneren dat Gezelle in dat huis gewoond en gewerkt heeft.

We blijven hem daar als dichter eren maar niet meer in een museale opstelling. Het zal meer informatief en educatief gebeuren. Daarom komen er wisselende exposities en evenementen. De tuin moet een ontmoetingsplaats worden.”

We zijn benieuwd wat hij bedoelt. We zijn ervan overtuigd dat goede campagnes erin moeten slagen meer bezoekers/toeristen daarheen te krijgen, ook buitenlandse. Mooie Gezellegedichten zijn in haast even mooie Frans en Engels vertaald en zouden hen de dichter op die plek, in dat huis, in die tuin leren appreciëren.

Gezelles geboortehuis (nu al geen Gezellemuseum meer) staat in een van het stadscentrum afgelegen wijk, waar het rustig is, waar geen winkels zijn. De doorsneetoerist begeeft zich niet in die richting. En de populariteit van de 19de-eeuwse priester-dichter is duidelijk gedaald.  Vorig jaar was er wel wat meer aandacht voor hem geweest…In 1899 is hij gestorven.

Het Gezellemuseum bevindt zich niet ver van enkele met hem gelieerde mooie plekken…Sint-Annakerk (hij werd er gedoopt), Sint-Walburgakerk (hij was er onderpastoor), Engels Klooster (hij was er geestelijk raadsman, rector), het Grootseminarie (hij werd er priester).

Dichteres Christine D’haen, die Gezelle grondig bestudeerde en die de Nederlandse literatuur heel goed kende, zei van Gezelle: ‘Tussen 1830 en 1880 de enige Nederlandstalige dichter die esthetisch geldige lyriek schrijft en tussen 1680 en 1880 de enige grote.

Gezelle hield van het West-Vlaams en was tegen het Nederlands uit het Noorden. Hij was particularist in een tijd dat een leerling van hem, Hugo Verriest, oog had voor algemeen Nederlands, net als kanunnik Jan Baptist David en Jan Frans Willems. (hij wou de ‘e’ uitgang van vrouwelijke woorden als ‘TALE’ niet verloren laten gaan). Hij was purist met een grote scheppingsdrang: ‘LICHTDRUKMAAL’ zoveel mooier dan ‘FOTO’

Hij was conservatief en tegen liberale vernieuwingen uit zijn tijd (1830-1899).

We denken aan zijn natuurgedichten (die bijna altijd een

verbondenheid met God hebben),

aan liefdesgedichten ook, zovoor zijn leerlingen (caritas, niet amor?)

,aan gelegenheidspoëzie.