Blankenbergse straten naar schrijvers genoemd. Ze inspireren in coronatijden tot het lezen van een gedicht, een prozatekst. Niet acht, maar tien straten dragen een schrijversnaam. Vandaag die van de enige schijfSTER, Jeanne Vande Putte

In de Blankenbergse straatnamenlijst vindt men behalve de namen van prinsessen (Paola en Marie-José) en van koninginnen (Astrid en Elisabeth) amper twee vrouwennamen Anna Stroobandt (19de-eeuwse vroedvrouw en onderwijzeres in Uitkerke) en Jeanne Vande Putte.

Velen zullen al eens door de Jeanne Vande Puttelaan zijn gestapt of gereden, de straat tussen de Koning Albertlaan en de sportterreinen van Sport Vlaanderen. Voor het esthetische attractieve ga je er niet wandelen. Om even aan de Blankenbergse dichteres te denken wel….

Jeanne van de Putte werd geboren op 30 augustus 1907 in het Henegouwse Ath, Haar vader was daar leraar aan het atheneum. Hij overleed in september 1908. Moeder verhuisde met haar vier kinderen naar haar geboortestad Blankenberge.

De zee werd Jeannes toeverlaat.  Op vijftienjarige leeftijd, toen ze Blankenberge inruilde voor de kostschool in Turnhout, formuleerde ze haar liefde voor haar thuisstad zo: ‘Dan zou ik knielen voor u, u danken voor uw schoonheid, uw diepte, dan zou ik willen altijd dat visioen voor m’n ogen houden, dat visioen van u, m’n zee, met uw zilver, met uw gloed, met uw kleurenschat op ieder levend golfke… O als ge dan zo stillekens zingt dat eindeloos wiegelied.

Als kind leerde ze ijverig en vlug. Maar haar grote passie was al op vijfjarige leeftijd duidelijk: lezen. Ook haar schrijflust viel op.

In Turnhout begon Jeanne volop te schrijven, eerst hoofdzakelijk in het Frans. In juli 1923 probeerde ze in haar dagboek dat zelf nog in het Frans was, haar eerste Nederlandstalige verzen die tintelen van zintuiglijk genoegen en synesthesie.

Jeanne van de Putte studeerde in 1927 met brio af als regentes, met haar zwakke gezondheid zou ze nooit voor de klas zou kunnen staan. Ze werd secretaresse bij de Antwerpse burgemeester Frans van Cauwelaert. Ze werd zieker…tuberculose had ze. Ze verbleef dan een tijd in het sanatorium in Sijsele. Na enkele maanden keerde ze terug naar huis, naar Blankenberge waar ze op 25 mei 1930 overleed

In een prozagedicht dat ze schreef tijdens haar verblijf van einde maart 1929 in Nijmegen, verwoordde ze in proza haar gevoelens als volgt:

‘Ik sta voor ‘t hooge vensterke en voor de groote, sterrelooze nacht. Enkel een lichtje wenkt in de verte over de vele donkere bosschen. En daar boven ligt de donkerblauwe hemel, sterreloos en onmetelijk. Ik sta voor ‘t venster en mijn hoofd rust op mijn armen. Ik glimlach naar de schoonheid van den nacht, maar over mij komt zwaar en zwijgend de dag weer vallen, met al zijn weelde en al zijn pijn