
Ik schrok verontwaardigd toen minister De Block “blijf in uw kot” zei. Ze bedoelde met ‘kot’ huis. Zo oneerbiedig mocht ik van mijn ouders mijn huis niet noemen en ik deed en doe het niet en ik blijf het de gezondheidsminister kwalijk nemen dat ze dit woord zo de Vlaamse wereld instuurde
In het Stalhils/Jabbeeks dat ik als moedertaal verwierf was KOT een ruimte naast het woonhuis, waar dingen werden gelegd of waar dieren verbleven. Palend aan de achterkeuken waren er koten. In een kot was er geen verlichting, geen verwarming. In Het eerste kot, dat we zo noemden, lagen dingen. Je moest de deur openhouden om ze te herkennen.Op warme zomerse zaterdagen wasten we ons daar in een gegalvaniseerde waskuip. Ernaast was het toilet, we zeiden ‘vertrek’ en daarnaast was het ‘keunekot’ en dan volgde het ‘koolkot’, waarachter het ‘zwienekot’ was en waarboven we ook een ‘duvekot’ en’ kiekekot’ hadden met ervoor een zwieneperk en kiekeperk en tot slot ‘tlatste kot’.

Nu noemen we het tuinhuis ook wel een ‘tkot.

In het AN is kot HOK
In een huis, woord verwant met het Griekse keuthein= bedekken, wonen mensen, er is verlichting en verwarming

In een kasteel , woord afkomstig van het Latijn CASTELLUM = versterkte burcht, woont een koning, een prins, een HEER ook, die van Uitkerke bijvoorbeeld
