

OOM PETROS EN HET VERMOEDEN VAN GOLDBACH van de Griekse auteur Apostolos Doxiadis
Bijzonder mooi verhaal, overgoten met een wiskundig sausje
Een geslaagde roman met wiskunde als onderwerp
Een fragmentje uit het boek:
“Wiskundigen,’ ging hij verder, ‘hebben net zoveel plezier in hun studie als schakers in het schaakspel. In feite staat de ware wiskundige psychologisch dichter bij de dichter of de componist, beter gezegd bij iemand die zich bezighoudt met het scheppen van schoonheid en het zoeken aar harmonie en perfectie. Hij is de tegenpool van de praktische man, de ingenieur, de politicus of de…’ – hier pauzeerde hij even en zocht naar iets dat op zijn waardeschaal nog verfoeielijker was – ‘de zakenman, natuurlijk.’”
DU CÔTÉ DE CHEZ SWANN van de Franse auteur Marcel Proust
DS: “In de bekendste scène uit À la recherche du temps perdu sopt de verteller een madeleinekoekje in thee en wordt hij teruggevoerd naar zijn kindertijd. Maar in zijn eerste klad uit 1907 schrijft Proust over geroosterd brood met honing, en in de tweede over de smaak van beschuit. Pas in de derde versie koos hij voor de madeleine.”
Naar alle waarschijnlijkheid is de madeleine genoemd naar Madeleine Paulmier. Paulmier was, toen zij omstreeks 1840 een gebakje uitvond, als kokkin in dienst van …
Van Dale van 1976 vermeldt ‘madeleine’ nog niet, die van 2015 noemt ‘madeleine’ een evenveeltje, d.i. een gebakje, dat uit meel, melk en suiker is bereid, een quatre-quarts in een ovale vorm.
De madeleine werd het beroemdste koekje uit de wereldliteratuur. Dat komt omdat de smaak van dit koekje, gedoopt in lindebloesemthee, bij de ikfiguur van A la recherche du temps perdu van Marcel Proust al zijn jeugdherinneringen oproept. ‘ Op een winterdag stelde mijn moeder, die zag dat ik het koud had, mij voor om, tegen mijn gewoonte in, een kopje thee te drinken’, aldus Proust in het eerste gedeelte van Du côté de chez Swann (1913), het eerste boek van de Recherche. ‘Ze liet zo’n compact, bolrond koekje brengen dat “kleine Madeleine” wordt genoemd […]. Algauw bracht ik […] zonder nadenken een lepeltje thee, waarin ik een brokje madeleine had laten weken, naar mijn mond. Maar zodra het met kruimels vermengde teugje mijn verhemelte raakte, beving mij een huivering en werd ik een en al aandacht voor iets buitengewoons dat zich in mij voltrok. […] Plotseling kwam de herinnering in mij op. Die smaak, dat was de smaak van het stukje madeleine dat op zondagochtend in Combray (omdat ik die dag niet vóór de mis de deur uitging) mijn tante Léonie, wanneer ik haar in haar slaapkamer goedemorgen ging “




