CLAUDE BRYSSE, oud-leerling 1975 KA/RNS Bl’ge, die verhalen schrijft, biedt de Maerlantkrant-lezers een tweede kortverhaal ter lectuur aan: BELICHAAMDE SKELETTEN.

Vrijwel zijn hele carrière heeft Claude Brysse, die in 1975 zijn KA-opleiding in Blankenberge voltooide, als accountmanager gewerkt. Sedert begin mei 2019 is hij met pensioen.

Hij schrijft:  

Vrijwel dagelijks ga ik wandelen volgens routes die ik zelf in mekaar steek via de app Komoot. Deze wandelingen plaats ik dan op de Facebookpagina WandelWijzer en e-BikeWijzer die ik beheer. Voor zover het lukt, proberen we een 3-tal keer per jaar op wandelvakantie te gaan. Voorts schrijf ik dus af en toe een kortverhaal.

Belichaamde skeletten

Hij stond goedgemutst op, met het vooruitzicht om binnenkort geen chef-inspecteur meer te zijn! Hoewel zijn carrière rijk gevuld was met opgeloste (moord)zaken – geen cold cases voor hem – het was genoeg geweest…..! Terwijl hij zich klaarmaakte voor zijn laatste dagen bij de recherche, keek hij even in de spiegel…..zag er goed uit ….pas gestreken hemd en bijpassende das…eindelijk gedaan met die job, op naar een beter betaalde en bevredigende taak. Tijd om te vertrekken, nog foeterend over die stijve kraag die al jaren op zijn zenuwen werkte – zelfverzekerd stapte hij naar zijn dienst, moordzaken. Stil hopend dat men hem zou vergeten in die twee resterende dagen, zetelde hij zich achter zijn bijna lege bureau. In gedachten voor zich uitstarend – mijmerend over de afgelopen jaren….toen de telefoon rinkelde… enige twijfel of hij de hoorn wel zou opnemen, maar iemand aan de deur riep : de telefoon gaat! Als er iets was dat hem irriteerde was het gebruik dat alles moet “gaan”. Een telefoon heeft geen beentjes! – die kan niet gaan, maar rinkelt, antwoordde hij nogal korrelig. Tenslotte nam hij toch op en hoorde zijn, bijna ex-assistent, roepen : “Chef, dit moet u zien, ongelooflijk -!” hij probeerde nog te vragen of zijn aanwezigheid echt wel nodig was. Alweer schreeuwde de stem : “Chef, dit moet u zien of u krijgt er spijt van, voor de rest van uw leven!” Wat is er dan zo wereldschokkend? De assistent…..een beetje tot rust gekomen, vertelde hem over een nieuw binnengekomen bericht. Waar ? – ik mail het adres chef! Ongelooflijk. Met de gelatenheid van een afgematte politieman, maar toch ook weer zeer nieuwsgierig en plichtsbewust, reed hij naar het opgegeven adres. Zijn assistent keek al reikhalzend naar hem uit. Hij zag een bouwvallig gebouw dat nog amper rechtstond. Binnen was al veel activiteit van af- en- aan- lopende agenten, dokters, pathologen, de hele rimram was aanwezig. Snel om zich heen turend, merkte hij gelukkig nog geen journalisten op. Hij had er een hekel aan. Samen met zijn assistent werd hij naar een kamer geleid, waar het zonlicht allang niet meer binnen kon….Cuarto oscuro, ging het door zijn gedachten… Een donkere, sobere kamer, klam en vochtig. Hij ging de meute voorop. Er waren nog maar enkel een paar agenten binnen geweest. De plaats delict onaangeroerd – was het wel een crime scene ? – Zijn assistent volgde, dan de patholoog en de wetsdokter. Allen stonden als aan de grond genageld !!! Ze konden niks uitbrengen, keken mekaar met verwonderde blikken aan. Zichzelf de vraag stellend : is dit mogelijk, kan dit ??? Als eerste sprak de wetsdokter met ietwat geschraapte stem : dit is onverklaarbaar, een nooit gezien fenomeen in een kamer waar het jaren stil was geweest – duister, beetje luguber – en ook zo zou gebleven zijn, mocht niet een van de promotoren er zijn binnengegaan. De chef, zijn assistent en de hele entourage konden geen woord uitbrengen en luisterden geboeid naar de wetsdokter. In de kamer stond een bed met twee ineengestrengelde geraamtes, geen lijkgeur, eerder de geur van vers gemaaid gras. Een frisse geur, lieflijk zelfs, ondanks de verkrotting van de kamer… Ik kan het niet uitleggen, ging hij verder, het onderzoek zal moeten uitwijzen wat hier gebeurd is…..De chef luisterde allang niet meer… te ontroerd om iets zinnigs te zeggen. Het betoog ging aan hem voorbij. Hij staarde…ogen bolden op, de handen door het haar, krabbend aan zijn baard…zijn grijze baard – grijs door de jaren en vooral door de intense zaken die hij zag en oploste. Maar dit, neen, dit had hij nog nooit gezien. Alles rondom hem vervaagde – hij luisterde niet meer – zag niemand meer rond zich staan. De af en aan lopende agenten in de bouwvallige gang hoorde hij niet meer….alles verdween. Hij kon zijn blik niet afwenden van die twee skeletten, ineengestrengeld met het aangezicht naar mekaar gericht. Het ene skelet wat groter dan het andere – beide schedels (hoofden) dicht bijeen, waarbij het kleinste duidelijk op een schouder van het grotere leek te rusten. In zijn verbeelding zag hij hen liggen….haar hoofd op zijn schouder, hun armen mekaar omringend, als hulden ze zich in een omhelzing van eeuwige liefde – intens en alles omvattend…L’amour absolu ! Hij, de man zonder bijster weinig gevoel, zelden emoties tonend, was nu geschokt en aangedaan door wat hij zag….Zo had hij zich nog nooit gevoeld. Alsof hiermee het einde van zijn carrière als chef-inspecteur een onverwachte wending nam…! Hij zag de arm van de man over de linkerkant van de vrouw liggen. Hij gaf haar geborgenheid, liefde en bescherming – voor eeuwig. Enkele ogenblikken later nam hij kordaat opnieuw de leiding van het onderzoek. Een onderzoek ? – moet er wel een onderzoek komen, vroeg hij zich af…De wetsdokter kwam met een eerste vaststelling. Met een stellige zekerheid werd geen geweld vastgesteld. Er was geen kwaad opzet met de dood van deze belichaamde skeletten gemoeid. Wat zou dan de oorzaak geweest kunnen zijn? Opnieuw keek hij naar het paar…moet duidelijk een liefdespaar geweest zijn. Hoe zijn ze gestorven ? – niks wees er op dat ze gegeten hadden, of gedronken of dat ze aangevallen werden – gebeten door insecten met een dodelijk gif?…Eén verklaring, hun liefde was sterk genoeg – ze leefden, overleefden en stierven ervan – ze dronken elkaars sappen, verdronken in hun passie om tot een gelukzalig einde en eeuwig genot verstrengeld te geraken. Ook de muffe geur kon hij negeren, hij snoof de frisse geur op – lentefris en zuiver – de krakende plankenvloer voelde als mals, vers gemaaid gras…intens groen en puur alsof dit hun liefdestapijt was op weg naar hun wonderlijke wereld van eeuwige liefde waar ze beiden hun armen konden reiken aan een hemel vol verlangen en begeerte – een onbegrensde liefde – hun liefde over alle grenzen heen…Geen genot was hen vreemd, geen grens kon hun vrijheid verhinderen…Une liberté illimitée…in geest en lichaam…! Het gerechtelijke apparaat had nog uren werk ! Hij bleef heel lang kijken naar die in elkaar verstrengelde mensen, lichamen, skeletten…Zijn promotie leek onbelangrijk geworden bij het zien van dit koppeltje. In zijn verbeelding zag hij de verbondenheid tussen de twee. Was het een tak ? met vertakkingen ? – een draad, mogelijk een rode draad…Un fil rouge ? die hun levens onzichtbaar aan elkaar snoerde – een vermeende navelstreng ? – een navelstreng voor eeuwige eenwording. Hij schrok op – schudde wakker uit zijn fantasie – was het wel een fantasie ? – met veel poeha, en onder begeleiding van een korpsoverste, bestormde de aanrennende pers de obscure kamer. Journalisten stelden hem honderden vragen…Hij kende maar één antwoord…dit is het ultieme verlangen, gehuld in duisterheid met flitsen van fel zonlicht, een extase van geestelijke en lichamelijke ontlading en verlangen…Osuro Deseo … Enkele ogenblikken later werden de overblijfselen in een kist gelegd, samen, onmogelijk om ze uit elkaar te halen…!