
Een leerlinge vertelde ons op het examen Nederlands dat ze het begrip TAUTOLOGIE moesten kennen, een syntactisch-lexicale stijlfiguur: betekenisherhaling met een synoniem woord.
In informele, gesproken taal komt de tautologie voor: kort en bondig, eeuwig en altijd en ietsje poëtischer in peis en vree, wis en zeker, perk en paal
In een gedicht: HIJ SPRAK EN ZEIDE
De Moeder (Geerten Gossaert)
Hij sprak en zeide
In ‘t zaêl zich wendend:
Vaarwel, o moeder,
Nooit keer ik weer…
En door de lanen
Zag zij hem gaan en
Sprak geen vervloeking maar weende zeer.
Sprak geen vervloeking…
Doch, bijna blijde,
Beval de maagden:
Laat immermeer
De zetels staan en
De lampen aan en
De poort geopend, de slotbrug neer.
En toen, na jaren,
Melaats, een zwerver
Ter poorte klaagde:
Uw zóon keert weer…
Zag zij hem aan en
Vond gene tranen,
Voor zoveel vréugde geen tranen meer.
Een leerling uit de zesdes vertelde op het examen aardrijkskunde dat ze GEOMORFOLOGIE moesten kennen, de verklarende beschrijving van de vormen van de aardoppervlakte, i.v.m. de wijze van hun ontstaan (van Dale)
Net als in TAUTOLOGIE is de Griekse oorsprong zo opvallend
GEO komt van GE : aarde
TAUTO komt van TO AUTO = hetzelfde
LOGIE komt van LOGOS = woord
MORF komt van MORFE= vorm













