DE MANDEL, Roeselaarse bijrivier van de Leie, giftig vervuild. GEZELLE schreef in 1848 in DE MANDELBEKE: “En die overschoone Mandel wierd de slave van den Handel.

In de kranten van gisteren en vandaag wordt bericht over de hoge chroom- en nikkelwaarden van het Mandelwater na een hevige brand in een bedrijf in Roeselare.

In 1848 schreef Guido Gezelle het lange gedicht DE MANDELBEKE, waarin hij de schoonheid ervan bezingt, de vervuiling ervan betreurt met als gevolg o.a.  een droeve, dorre wilg.

Gezelles leerling Hugo Verriest, priester-dichter, schrijft over zijn leraar en diens poëzielessen en zegt dat ze Griekse en Latijnse poëzie lazen, maar dat Gezelle dan met zijn gedicht DE MANDELBEKE kwam – een gedicht waaraan hij zijn betrekking als leraar in het Klein Seminarie in Roeselare te danken zou hebben gehad – en dat het realiteitsgehalte van de les hiermee wonderlijk steeg.

Met ‘overschoon’ zal Gezelle ZEER MOOI hebben bedoeld, maar nu zou het zeker ZEER PROPER betekenen